zondag, mei 01, 2011

 

Van niets naar nergens 25


Klik hier en scroll naar beneden om te zien wat vooraf ging.

In het donker van het kamp staarde het Zwitsers kwartet mij aan of zij het in Zürich hoorden donderen. Ik had juist voorgesteld op mijn kosten in het restaurant van het kamp een hapje te gaan eten. Dat is duur! bracht studentje D. uit. Welnee, zei ik, het kost wat geld, dat is wat anders. Bovendien is het belachelijk goedkoop. Voor jullie helemaal, want ik betaal. En wat wil je dán? Hier in het donker en in de modder wat rommelen met blikjes, kookgerei en mestins en dan straks ook nog afwassen in het donker tussen de muskieten? Volgens mij zijn we allemaal moe en hongerig! Daar hadden de Zwitsers niet van terug.

Het restaurant lag bovenaan een helling die nu glibberig was van de regen. Maar beneden hing ook een menukaart onder een afdakje. De gerechten waren Spartaans: biefstuk, t-bone steak, kippenpoot of kapenta met patat, rijst of nshima. Ik nam de bestellingen van het kwartet op en besteeg de helling weer om te reserveren. In de tussentijd kon het kwartet zijn tenten opzetten.

Boven was naast de receptie een bar met daarvoor een bordes met stoelen en tafeltjes. Op het nog nalekkende bordes zaten wat mensen in pullovers, naast een vuurtje te drinken, te eten en te praten of in de duisternis te staren. Beneden had ik twee vrachtwagens zien staan en aan de bar stonden enige morsige types, waarschijnlijk de chauffeurs. Kaarsen flakkerden tegen hun donkere, stoppelige wangen.

Op mijn beurt wachtend werd ik aangesproken door een breed lachend meisje met satellietvlechtjes en met een rood, net te diep uitgesneden decolleté, waar haar borsten nadrukkelijk uitpuilden. Waar ik vandaan kwam, of ik op doorreis was enzovoorts. Alles gevraagd met een zuigende nieuwsgierigheid. Één van de medewerkers van het kamp had mij, toen hij mij de weg naar mijn huisje liet zien, erop attent gemaakt dat er in het kamp soms ladies from the village waren die services aanboden. Als U dat niet wil kunt U gewoon tegen ze zeggen dat U hun services niet nodig hebt, dan hebt U er ook geen last meer van, had hij uitgelegd. Het moment om dat te doen, leek me daar. Het spijt me maar mijn vrienden en ik zijn hier om te eten en te slapen en dat is alles, legde ik uit en dat werkte. Okay, I wish you a nice time here, zei ze glimlachend en verdween van de bar, twee andere meisjes met zich meevoerend. Enigszins boosaardig bedacht ik mij dat ik ze ook naar de twee studentjes had kunnen verwijzen om hen de keus te laten.

Een half uurtje later zaten wij met ons vijven aan een tafeltje op het bordes, met truien aan naast een knetterend vuurtje. We hadden uitzicht op het duister. Hier en daar flakkerde een vuurtje in de verte. Zijn dat dorpen? wilden de studentjes weten. Dat kan, maar het kunnen ook vuurtjes langs een weg zijn om aan te geven dat er een dorp in de buurt is, antwoordde ik. En ik dacht aan nachtelijke busreizen, half slapend met het hoofd tegen de busruit waarbij af en toe dit soort vuurtjes voorbij schoten. Maar gaat zo’n vuurtje dan niet vanzelf uit? wilden de studentjes weten. Ik legde uit dat er altijd iemand bij zit. Als je dan bijvoorbeeld onderweg een probleem hebt, kan hij je verwijzen naar het nabijgelegen dorp.

Verder werd er weinig gezegd. We waren allemaal vermoeid van de gebeurtenissen. We hielden ons bezig met het verorberen van de maaltijd. Er werd gekluifd aan stukken kip en karbonade. Zelf had ik natuurlijk eigenwijs nshima met kapenta besteld. De kleine zoutige visjes in pepersaus mengden zich goed met de koel geserveerde Mosi. Het was inmiddels windstil en wat eerst vochtige kilheid had geleken, was nu een welkome, lauwe koelte.

Het Canado-zwitserse boerenstel vertrok spoedig na het eten om te gaan slapen. De twee studentjes en ik bleven zitten en we bestelden nog een biertje. Ook aan de bar was het rustig geworden en er was geen hinderlijke muziek op de achtergrond. In de verte ronkten wat nijlpaarden, maar verder was het stil. Er waren zelfs geen sjirpende krekels. Toch een mooi systeem met die vuurtjes, vond studentje D. Ja, vond studentje P., als je hier komt in dit land, lijkt alles ongeorganiseerd, maar er blijken toch systemen te zijn. Tja, concludeerde ik, in een arm land als dit is het ieder voor zich en God voor ons allen, maar er is ook wel onderlinge steun. Armoede maakt dit land hard, maar er is ook mededogen. De studentjes vonden dat een mooie gedachte.

En toch ben jij graag in dit land, constateerden zij, waarom eigenlijk? Het kwam bijna over als een gewetensvraag en ik had zo gauw geen antwoord. Het is meer een soort optelsom, begon ik. Het zijn die vuurtjes daar in de verte, of de geur na een regenbui, of het geknor van nijlpaarden, het relaxte ritme van de mensen, de droge akoestiek, de nshima die eigenlijk niet eens zo lekker is, de weidsheid van het land…ik weet het niet, ik kan zo natuurlijk nog doorgaan met dingen noemen. Later bedacht ik mij dat het meer de metselspecie is die al die details samenhoudt. Maar wat is die metselspecie dan?

De volgende morgen toverde voor het bordes een landschap van zich eindeloos herhalende heuvels vol struikerij en bomen die in de verte in de ochtendnevel verdwenen. Over de rivier waarover het bordes uitkeek hing ook nevel. Ik warmde mij op in de prille zonneschijn. Ik was langs de tenten van het Zwitsers kwartet gelopen maar had daar nog geen activiteit waargenomen. Zelf was ik al vlak vóór zonsopkomst wakker, alsof een innerlijk systeem ervoor zorgde dat ik even in alle eenzaamheid een deel van de morgen voor mij alleen had. Bovendien was ik benieuwd of het chaletje waarin ik geslapen had (van hout, met gazen ramen en een rieten dak) de nachtelijke regen had doorstaan. Er waren geen sporen van lekkage en met het eerste licht struinde ik door het vochtige kamp vol lekkende bomen en struiken naar de kampeerplaats waar alles in diepe rust verkeerde. Ik liep beneden naar de stofweg langs de rivier, waar het duister grauw was geworden en waar een rood licht zich verspreide tussen de brekende ochtendbewolking. Witkoparenden doorbraken de stilte met hun roep, als hanen in de morgen. Ik rook het koele, vochtige zand.

Morgenrood duurt maar kort in de tropen. Toen ik het bordes op de heuvel bereikte, was het alweer weg en ook de bewolking leek snel op te lossen. De rivier was glad als een spiegel. En het was dat moment dat mij vier jaar later in Lusaka deed besluiten om naar die plek terug te keren.

BP

Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • zaterdag, maart 05, 2011

     

    Van niets naar nergens 24


    Boven: That Swiss breakfast?
    Onder: De Luangwa bij Luangwa Bridge. Plaatje: Wikipedia.


    Klik hier en scroll naar beneden om te zien wat vooraf ging.


    Wake up Snowwhite! Dat was de Hawaïaan weer. Ik opende de ogen en keek hem recht in zijn ernstige gezicht. Je bent laat man!

    Er was ook weinig van slapen terecht gekomen. Ik was pas in slaap gevallen bij het roepen van de eerste hanen. Daarvóór leek het of iedere poging om te slapen de nek om werd gedraaid door een steeds weer opkomend hondenkoor. Overdag zag je in Luangwa bijna geen hond lopen, maar ’s nachts leek het wel of iedereen er één had.

    Er stond een teil met heet water klaar voor een bad in de belendende hut en de Hawaïaan had eieren gebakken. Je moet goed ontbijten in dit klimaat, bromde hij toen ik zei dat ik zou ontbijten met mijn reisgenoten, het Zwitsers kwartet.
    Je kunt dat Zwitsers ontbijt toch als een toetje nemen? That Swiss breakfast, hij sprak het uit alsof het om een broodkorst ging.

    Ik hielp de Hawaïaan met de afwas, pakte mijn spullen en gezamenlijk liepen we terug naar de rivier waar het Zwitsers kwartet zijn tenten had opgezet. De vrouw van het Canado-zwitserse boerenstel was zwijgend melk aan het koken voor de ochtendpap. We hadden in Lusaka een flink aantal dozen graanontbijt ingeslagen genaamd ‘Jungle Oats’. We dachten dat wel nodig te hebben. De Cz. boer sliep nog en studentje P. zat zwetend in de ochtendzon en begroette me met een flauwe glimlach. Studentje D. begroette ons uitbundig en wilde weten of het nou warm of koel was om in zo’n hut te slapen. In de tent was het bloedheet, voegde hij eraan toe. Tenten zijn ook niet om in te wonen, concludeerde de Hawaïaan kort.

    De rivieren waren vlak en de omgeving was vochtig en dampig. De lucht was blauw en de zon brandde al fel maar in de verte hing een groot wolkenfront. Keith voegde zich bij het gezelschap. Of iedereen goed geslapen had? Er kwam weinig antwoord. Het was wel erg warm, vatte studentje D. samen.

    We pakten de auto in en vervolgens vond Wendy dat wij nog wel een kop koffie nodig hadden. Het zweet lekte ons van de lijven en we gaven eraan toe plaats te nemen in de koele woonkamer van Keith en Wendy om daar koffie te drinken. Studentje P. sukkelde er weer in slaap en ook de Cz. boer begon kleine oogjes te krijgen.
    Uiteindelijk was daar dan tóch het moment van vertrek. Pas goed op! waarschuwde Keith, het zou wel eens flink kunnen gaan regenen en dan is het niet veilig op de weg! De Hawaïaan legde een hand op mijn schouder. Als ik me nog bedenken zou, wist ik hem wel te vinden.

    In de auto was het warm en benauwd. De Cz. boer ging achterin zitten om de ogen nog eens dicht te doen en zijn vrouw kroop achter het stuur. We reden door het landschap dat loom en groen en stil in het middaglicht lag. De zon stond op haar hoogste punt maar werd gedempt door een egale dunne bewolking. Verderop lag een dik front van loodgrijze wolken en we meenden hier en daar bliksemflitsen in de verte te zien.

    Na geruime tijd was er geen blauw meer in de hemel. Er hing een grote, grauwe deken van horizon tot horizon en er kwamen nu ook wat spetters op de voorruit van de auto. We reden langs een dorp waar mensen doende waren zaken naar binnen te slepen. Vóór ons op de weg stond een minibusje vol met mensen en bagage. De chauffeur hield ons aan. Jullie kunnen beter niet verder gaan! Het gaat zo meteen regenen en het is gevaarlijk daar bij die bochten! Hij wees vooruit. De Cz. boerin achter het stuur draaide zich om naar haar man die was ontwaakt uit zijn dutje. Het leek haar verstandig de waarschuwing van de chauffeur ter harte te nemen. Het leek de Cz. boer maar onzin. Laat mij maar rijden. We kunnen toch zien hoe ver we komen? De weg is niet zo slecht en we zitten niet in de middle of nowhere. De studentjes en ik waren er niet gerust op, maar de Cz. boer bood aan langzaam en voorzichtig te rijden.

    Nauwelijks had hij plaats genomen achter het stuur of het spetteren veranderde in een wolkbreuk. Het hele landschap trok dicht met eerst gordijnen, toen muren van regen. Er stak een koude wind op en iedereen kreeg kippenvel. Langzaam reed de boer vooruit. De weg had hogere delen maar ook uitgesleten dieptes, daar stroomde het water nu langs en af en toe reed de auto diep door het water. De weg boog af naar rechts naar de rivieroever en links van ons doemden donkere, dichtbegroeide hellingen op met heen en weer waaiende boomkruinen. De heuvels kwamen dichterbij en werden steiltes waarvan het water in wilde beken af gutste over de weg. We reden nu langzamer dan stapvoets tot wij een bocht namen naar links en plotseling water wild over de weg zagen spoelen, klei en takken met zich meesleurend.

    Het was zelfs voor de Cz. boer duidelijk: hier konden we niet doorheen. We besloten terug te keren voor zover mogelijk, immers, misschien zou de stroom zich naar onze kant uitbreiden. Maar de auto keren was hier niet mogelijk: het was niet duidelijk hoe breed de weg precies was en bovendien was de oever van de rivier ook vlakbij. Er zat niets anders op dan heel voorzichtig achteruit rijden. We spanden ons allen in om goed achteruit te kijken. Voor zover we zien konden, was de weg achter ons nu ook in een rivier veranderd, maar voorzichtig rijdend leek dat erger dan het was. Het water was heel ondiep behalve in een enkele kuil. Na een kwartier voorzichtig achteruit rijden, verbreedde de weg zich en er kon gekeerd worden. De Cz. boer ging uiterst voorzichtig te werk en na een halfuur stapvoets rijden, bereikten wij het dorp weer.

    Het busje stond daar nu in de modder. Ondanks het weer liepen er nog wat mensen omheen. We besloten er naast te gaan staan. Het was inmiddels flink koud geworden, naar wat we gewend waren de laatste dagen. De potdichte ramen besloegen en dat benam ons het laatste uitzicht op de omgeving. Met een handdoek probeerden we de ruiten weer doorzichtig te krijgen, maar we zagen alleen nog de uitlopende kleuren van de omgeving, niet de vormen. De bui was nu op zijn zwaarst en we konden elkaar amper meer verstaan vanwege het geraas van de regen.

    Midden in het geraas werd er door een donkere verschijning op een raam van de auto geklopt. De Cz. boer draaide z’n raampje wat open. Buiten stond een man die zich beschutte met een plastic zeil. Do you want some hot tea? schreeuwde hij door het geraas van de regen heen. We dachten eerst de vraag niet goed te begrijpen, maar antwoordden ja toen het duidelijk werd dat de man het meende. Do you have cups? schreeuwde de man. We riepen van ja. De man riep dat de thee zo gebracht zou worden. Onderwijl pakten wij ons plastic mokken. Na een paar minuten kwamen meer gedaantes naar de auto. Het waren drie vrouwen onder een plastic zeil. Zij brachten ons twee potten met hete thee. Drink, drink! riepen zij, reikten ons de thee aan en renden weer weg.

    Verbouwereerd schonken wij de thee in. Ze was zo zwart als koffie, maar we waren blij met de hete drank. Kleumend warmden we onze handen aan de mokken.
    - We zullen het zo wel moeten betalen, bromde de Cz. boer.
    - Denk je?
    - Natuurlijk! Stop thee in die verkleumde blanken en er komt vanzelf geld uit. Dat denken ze.
    - Ik wil er ook best voor betalen want ik ben dankbaar voor die hete thee, besloot de boerin de discussie. Suiker en koekjes hadden we zelf in overvloed en we maakten er een klein feestje van. De Cz. boer vertelde zelfs moppen die hij nog van zijn Zwitserse ouders kende en desgevraagd vertelde ik enige Groninger- en Belgenmoppen. Alle moppen waren vrij flauw maar we hadden een enorme behoefte om te lachen.

    Na ongeveer een half uur leek de regen definitief te minderen. We konden weer redelijk naar buiten kijken en zelfs wat meer in de verte zien. Inmiddels was de thee op en de Cz. boerin en ik besloten samen de theepotten terug te brengen. Buiten was het kil en de regen was afgenomen tot een flinke bui. We waren dan ook allebei in een tel doornat. Twee vrouwen wuifden naar ons, zo te zien vrouwen die ons voorzien hadden van thee. Inderdaad, ze namen de lege potten aan en wenkten ons mee naar binnen in een ruime hut. We gingen bukkend de hut binnen. Het was er donker maar warm. Er zaten zo’n zeven mensen in de hut, waaronder de man die ons de thee had aangeboden. Ik ging door de knieën en schudde de hand van de man, waarna ik hem klappend in de handen bedankte voor de thee. De man had er plezier in. You know the Zambian way! lachte hij en de anderen lachten mee.

    En of wij nog meer thee wilden. Nee, we waren op weg richting Chipata. Een jonge man mengde zich in het gesprek: Chipata? Dat halen jullie vandaag nooit meer. Je kan beter naar Bridge Camp bij Luangwa Bridge gaan en dan vertrekken jullie morgen vroeg naar Chipata. Hij bleek de bijrijder van het busje. Jullie hebben het vast gezien toen jullie hier naar toe kwamen. Wij vertrekken zo meteen. Jullie kunnen wel achter ons aan rijden. Wij weten waar de kuilen zitten. We hebben twee mensen die er in Bridge Camp uit moeten.

    Dat leek ons geen slecht voorstel en nadat we nog wat trossen kleine banaantjes gekocht hadden keerden we terug naar de auto. De Cz. boer liet zich met tegenzin door zijn vrouw overtuigen om achter het busje aan te rijden. Nu ja, dat duurde dan ook nog even. “Zo meteen vertrekken”, betekent in Zambia wel dat er een passagier is die toch nog nodig even naar huis moet om daar iets te halen wat ook meegenomen moet worden. En dan zijn er nog de mensen die aan komen rennen met brieven om mee te nemen naar de buitenwereld en mensen die pinda’s en bananen willen verkopen en geen wisselgeld hebben en mensen die besluiten liever niet mee te gaan en hun geld terug willen en mensen die aan komen lopen met erg veel bagage – waaronder kinderen – en die eigenlijk nog mee willen. Vervolgens moet het halve busje nog even nodig een plas gaan doen en een cola kopen voor onderweg. Natuurlijk ze hadden al cola voor onderweg, maar die was nu al op omdat die verdomde chauffeur maar niet vertrok. En het mag in het Christelijke Zambia dan ook een godswonder heten dat er een moment komt dat zo’n bus inderdaad vertrekt. De motor draait al en de bijrijder heeft al meerdere keren ongeduldig op het dak getikt als teken van vertrek, maar dan moet er vaak toch nog wat geregeld worden (waren de bagageluiken wel goed dicht? zat alle bagage wel goed vast op de imperiaal? was er eigenlijk nog wel benzine? en ja, plassen en cola kopen moet een bijrijder ook regelmatig doen).

    Eenmaal onderweg hield het op met regenen en een waterige zon brak door. Het busje voor ons had een behoorlijke snelheid en draaide behendig om putten en poelen heen. Een beekje dat normaal onder de weg door stroomde, stroomde nu over de weg en daar zorgde het busje voor een fontein die onze gehele auto natspoot. Op twee plaatsen moest er een passagier uit. Dan stopte het busje, liet de persoon uitstappen, de bagage werd aangereikt en de persoon liep de bush in. Bij de tweede passagier was de weg in veel betere toestand en wij besloten niet langer te wachten. We tuterden ten afscheid en reden verder. Maar spoedig werden we weer ingehaald door het busje dat ons claxonerend voorbij reed, terwijl de inzittenden vrolijk naar ons zwaaiden.

    Bij een laagstaande zon bereikten we Bridge Camp.

    BP

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • woensdag, januari 19, 2011

     

    Van niets naar nergens 23









    De zeven plagen van het dorp: Afrikaanse olifant (Loxodonta africana) plaatje Biodiversity explorer.Nijlpaard (Hippopotamus amphibius) plaatje Biodiversity explorer.Baviaan (Papio hamadryas) plaatje Biodiversity explorer. Groene meerkat (Cercopithecus pygerythrus) plaatje Biodiversity explorer. Quelea’s (Quelea quela) plaatje Wikipedia.Roodvoorhoofdwever (Euplectes horeaceus) plaatje Wikipedia. Grenadierwever (Euplectes orix) plaatje Wikipedia.

    Klik hier en scroll naar beneden om te zien wat vooraf ging.


    Er was een commissie die het schrikdraad beheerde. Dat wil zeggen: niet alleen het draad en het aan- en uitzetten, maar ook de transformator en het onderhoud van het geheel. In de middaghitte liepen wij langs het draad en langs de dorpsakkers, aan de andere kant van het draad was dichte struiksavanne. Daar staat zeker veel stroom op voor die geweldige beesten? vroeg ik. Nee, zei de Hawaïaan, de olifanten schrikken al geweldig van een klein stootje. Ja! beaamde het dorpshoofd, we hebben het gemerkt, we hebben nu veel minder olifantenproblemen. Maar de gewassen groeien niet erg, constateerde de Canadozwitserse boer die met zijn voet wees naar de maïs die de kopjes boven het zand had gestoken, maar die vervolgens waren verbrand in de zon. Ja, zuchtte het dorpshoofd, te weinig regen hè.
    - Maar kunnen jullie dan niet wat anders verbouwen? Iets wat niet meteen verbrandt
    als het opkomt en kun je er geen fruitbomen boven zetten voor de schaduw?
    - Ja, bomen planten gaan we ook doen, maar verder, wij Zambianen willen onze nshima kunnen eten en daar hebben we maïs voor nodig. Als je nshima eet voel je je weer sterk! glunderde het dorpshoofd en hij kreeg lachend bijval van een paar meelopende dorpelingen.

    Alles goed en wel, er was dus schrikdraad tegen de olifanten en een heuse commissie om het gebruik en onderhoud ervan te beheren. Maar nu waren er altijd nog de nijlpaarden, de apen, de bavianen en één van de grootste plagen: vogeltjes, verschillende soorten gekleurde wevervogeltjes en quelea’s, door het dorpshoofd allemaal samengevat onder de naam cardinals. Roodgevlekte vogeltjes, we zagen ze rondvliegen. Zaad, knoppen, fruit, niets was veilig voor die beesten. Ze waren erger dan ratten en muizen volgens de dorpelingen. Er was nu dan wel dat prachtige schrikdraad tegen de levensgevaarlijke olifanten, maar er moesten nu jongens naar de akkers gestuurd worden om voortdurend de apen, bavianen en vogels te verjagen. En die jongens moeten eigenlijk op school zitten, zei de Hawaïaan ernstig. En de bavianen zijn erg brutaal, voegde één van de dorpelingen er aan toe. Ze zijn ook gevaarlijk, bevestigde een ander. Ze zijn niet bang meer en plunderen soms zelfs de voorraadhutten. Liever tien luipaarden dan twee bavianen. De nijlpaarden kwamen soms ook, maar dan ’s nachts. Die draaiden hun poot er niet voor om een hele akker met jonge kool om te woelen en leeg te eten. En je kon er toch niet aan gaan staan om iedere nacht met vuur en lawaai die beesten weg te houden?

    Vreemd eigenlijk dat ze in dit dorp geen sorghum of cassave hebben, dat groeit hier toch beter dan maïs? vroeg ik de Hawaïaan terwijl we terugliepen naar de boot. De mensen zijn hier erg conservatief, ze zouden ook aardappels kunnen telen, maar ze willen nu eenmaal nshima eten van witte maïs, want dat hoort zo, zei hij. Onderweg werden we weer vriendelijk begroet door dorpelingen die met hun dagelijkse zaken bezig waren. Overal liepen de geiten met hun jongen. Ik verzuchtte tegen de Hawaïaan dat ik het toch een navrant gezicht vond, die vette geiten die overal het sappige groen opvraten tegenover de magere moeders met hun kindertjes en dan die verhalen over wilde beesten die gewassen opeten. Het leek wel alsof dit dorp zich geen raad wist met zijn omgeving. De Hawaïaan legde uit dat deze mensen hier ook pas enige generaties woonden (oorspronkelijk kwamen ze uit het Noorden) en binnen die tijd was er veel veranderd. De regenperiodes waren hier minder berekenbaar, er kon steeds minder op wild gejaagd worden en uiteindelijk kwamen ze aan de rand van een nationaal park te wonen waardoor er steeds meer groot wild in de buurt kwam, dat niet meer bang was voor mennsen omdat het niet meer gejaagd werd. Maar dat olifantenschrikdraad werkt en het nieuwe hospitaaltje is ook een teken van vooruitgang, vond de Hawaïaan.

    Bezweet en puffend namen we weer plaats in de motorboot, waar de stuurman ons opwachtte. In de verte kwam een front van donkere, grauwe wolken opzetten en de atmosfeer was drukkender geworden. Maar op de Zambezi was het water nog zo blauw als de lucht en de rietkragen staken frisgroen boven het water uit. De boottocht gaf veel verkoeling. Bij de monding van de Luangwa waren brede en hoge rietvelden. De stuurman loodste er handig langs, opzoek naar nog meer nijlpaarden die daar inderdaad in overdaad aanwezig waren. Hun koppen hadden de kleur van rosbief gekregen door de warmte en daardoor staken zij goed af tegen het groene riet en het blauwe water. Iedereen vond het spannend zo dicht bij de nijlpaarden te zijn. De nijlpaarden zelf zagen het gemelijk aan.

    Weer aan land troffen we gezamenlijk voorbereidingen voor het warme eten. Het werd een uitgebreide picknick op het gazon van Keith en Wendy. We hadden de Hawaïaan ook uitgenodigd, de stuurman verontschuldigde zich. Tijdens het eten werd er gediscussieerd. Hoe het toch kwam dat de geiten in het dorp wel te eten hadden en de kinderen niet, waarom die mensen niet een ander standaardvoedsel verbouwden dan maïs, waarom het dorp niet gewoon verhuisd werd naar de meer bewoonde wereld zodat de natuur weer haar gang kon gaan. De Hawaïaan gaf zo goed en zo kwaad als het ging antwoord maar leek weinig opgewassen tegen zoveel Zwitserse verontwaardiging. Het leek immers wel of de dorpelingen niet van dieren hielden en de dieren alleen maar als vijanden zagen. Het was met name de Cz. boeren wel duidelijk geworden dat de Zambianen voor het leven van een dier echt geen stuiver gaven.

    Hoewel wij met zijn vijven reisden begon de negatieve teneur van het Zwitsers kwartet mij tegen te staan. Het zal ook door de vochtige hitte zijn gekomen dat ik enige stemverheffing bij mezelf bemerkte. Ik betoogde dat het voor ons wel erg makkelijk oordelen was over de bewoners midden in de Afrikaanse rimboe. Armoede, ziekte en dood zijn de zaken waar die mensen iedere dag maar zo’n beetje uit moesten zien te komen, betoogde ik. Ik zei, om even flink olie op het vuur te gooien, dat ik me levendig kon voorstellen dat die mensen liever een dooie olifant zagen dan een levende en dat gold ook voor de nijlpaarden en alle andere plagen van de jungle. Ik betoogde dat Europeanen er ook alles aan gedaan hadden om al het wild dat hun vee bedreigde of beconcurreerde uit te roeien. Ik gaf Nederland als voorbeeld, waar de bevolking er nu op kikte om in een expres verwilderd weiland wat halftamme koeien te zien lopen naast wat domme parkherten. De enorme ruimte die grote dieren nodig hebben om steeds het beste voedsel te zoeken was in een land als Nederland eenvoudig niet meer aanwezig. En als compensatie en uit blinde dierenliefde wilden we nu dan dat de mensen in een Afrikaans dorpje maar vrienden werden met de wilde dieren die hun oogst belaagden.

    Studentje D. had er schik in en bracht naar voren dat er in Zwitserland toch wel veel wilde natuur over was omdat er niet te veel grootschalige landbouw en veeteelt was en omdat er veel Zwitsers waren die van de natuur hielden. De naïviteit van het argument pookte mijn irritatie alleen nog meer op. Of diezelfde Zwitserse kleine boeren er dan niet voor gezorgd hadden dat hun veestapel beschermd werd tegen roofdieren door die weg te schieten? En dat de Zwitsers zich hun wildernis ook konden permitteren door de bankrekeningen in hun land. “En reken maar niet dat dat geld verdiend is met het beschermen van de natuur!”

    Hier merkte ik dat ik te ver was gegaan. Er viel een zinderende stilte. In de verte klonk het geronk van twee nijlpaarden

    De Hawaïaan had het hoofd afgewend en keek met grote concentratie over de rivier. Well, I think you have a point there. Het was de Cz. boer die de stilte doorbrak. Maar ik kreeg geen tijd me daarover te verbazen.
    Maar wij kunnen die mensen vanuit het westen toch adviseren? Juist omdat we dingen fout hebben gedaan, weten we ook hoe we dingen goed moeten doen, riposteerde studentje D. Ik antwoordde iets in de geest van hoe hij het als Zwitser zou vinden als de Nederlanders of de Chinezen of de Arabieren of de Afrikanen in Zwitserland dwingend kwamen vertellen hoe het allemaal beter kon. Maar dat was het verkeerde argument, want in Zwitserland liep alles steeds goed. Het was de Cz. boer die vond dat ik toch wel een point had, immers, hij wist als boer hoe je met de grillen van de natuur geconfronteerd werd.

    Gelukkig kwam Wendy met flesjes koude Mosi aanlopen. Ik dacht dat jullie die nu wel konden gebruiken, glunderde zij. Onze dankbaarheid was groot. De benauwdheid begon nu in de namiddag ook wat af te nemen. De grauwe, laaghangende bewolking was dreigend dichterbij gekomen. Onder de wolken door scheen de laagstaande zon die alles in een gouden licht zette. Zou het gaan regenen? vroegen we ons af. Keith, die zich bij ons gevoegd had op zijn gazon, dacht van niet. Maar morgen zou het wel eens flink tekeer kunnen gaan, dacht hij.

    Als de zon in Afrika daalt is het zaak snel thuis te geraken want de duisternis valt dan snel in. De Hawaïaan maakte dan ook aanstalten te vertrekken en ik ging met hem mee naar zijn onderkomen.

    Hij had een paar hutjes met een erfje aan de rand van het dorp Luangwa, landinwaarts. Hij kon aanvankelijk in een huisje wonen. Maar dat was bouwvallig en het zat vol kakkerlakken. Hij had er een tijd gebivakkeerd, maar toen kwam het idee om in een hut te gaan wonen. Hij had nu een ronde hut, nóg een ronde hut om in te koken en een schuurtje om spullen in op te slaan. Voor water was er een put en er was een openbaar long drop toilet omgeven door riet. De mensen in Luangwa kwamen op het idee dat hij in een hut kon wonen en ze hadden hem geholpen. Hij had ook een kok. Soms was die er niet en dan moest hij zelf koken of bij Keith en Wendy eten. De kok was wat onvoorspelbaar, dus dat kwam soms slecht uit.

    En heb je hier vaker logés gehad? vroeg ik. Nee, nog nooit, je bent de eerste. Heb je voldoende ruimte? Ja, ik had naast de matras van de Hawaïaan voldoende ruimte om mijn luchtbed neer te leggen.
    - Zitten hier ook muskieten? vroeg ik.
    - Nee die komen hier niet in de hut. Ik weet niet waarom, maar ze komen hier niet.
    Ik pakte mijn spullen uit en onderwijl trok de Hawaïaan een lange broek, sokken en een shirt met lange mouwen aan. Hij ging naar buiten om een eindje van de hut een vuurtje te stoken. Het wordt zo meteen donker, we kunnen nog even bij het vuurtje zitten, we krijgen denk ik nog bezoek, zei hij in het voorbijgaan.

    En inderdaad, twee buren sloften langs. De Hawaïaan nodigde ze uit bij het vuur te komen zitten en haalde wat flesjes Mosi. Uiteraard moest ik uitleggen wie ik was en waar ik vandaan kwam. Ik zei dat ik just a tourist was. Nee, verbeterde de Hawaïaan mij en sloeg een hand op mijn schouder, hij is een traveller, hij is a regular visitor of Zambia. Dat maakte de tongen los bij de twee buren. Of ik vond dat zaken verbeterden in Zambia? Wat ik vond van president Mwanawasa? Uiteindelijk eindigden we in een discussie over de nieuwe op handen zijnde Zambiaanse grondwet (de zoveelste). Hoe de Nederlandse grondwet dan in elkaar zat en of die dan anders was dan bijvoorbeeld de Amerikaanse? Of het dan niet lastig was om een koningin als staatshoofd te hebben? En dan zou in Nederland dus eigenlijk de premier gekozen moeten worden, zoals in Zambia de president gekozen moest worden? Ik stelde voor dat Nederland zijn staatshoofd inruilde voor een gekozen president maar dat stuitte op verzet bij de twee Zambianen. Als je een vorst had die zich aan de grondwet hield, was dat volgens hen ver te prefereren boven een gekozen president die eens in de zoveel tijd de verkiezingen moest winnen. Uiteindelijk werd het tijd voor de buren om nshima te gaan eten. Morgen zou het weer vroeg dag zijn. Zij namen afscheid en verdwenen in de donkere, zoele nacht.

    De Hawaïaan pookte nog wat in het vuur en uiteindelijk trokken wij ons terug in de slaaphut.

    We praatten nog wat na in het licht van de olielamp. De Hawaïaan praatte over een mogelijke toekomst voor hem in Luangwa. Als Keith en Wendy hun vakantie appartementjes konden realiseren, dan zou hij misschien wat reisjes over het water naar de dorpen langs de Zambezi en de Luangwa kunnen organiseren voor toeristen. Of een simpel vakantieverblijfje in één van de dorpen. Maar dan alleen voor rugzak toeristen die gewend waren zich te behelpen en respect hadden voor de plaatselijke bevolking. De toeristen konden dan kennis maken met leven in een Afrikaans dorp en de dorpelingen hielden er wat aan over.

    De Hawaïaan draaide de olielamp uit. Het was nu volstrekt donker, er was werkelijk geen kiertje licht. In de verte blaften honden en er werd ergens gezongen. Of ik er niet voor voelde om in Luangwa te blijven en mee te werken aan de plannen van de Hawaïaan? Ik vertrouw je en ik mag je, zei hij. Maar nee, ik had thuis mijn verplichtingen, vond ik. Ik had dit argument nog nooit zo hol horen klinken. De Hawaïaan zuchtte en bleef even stil. Weet je, er zijn hier natuurlijk genoeg mensen om mij heen, en de mensen zijn echt fantastisch hier, ik hou echt van ze, maar het zijn geen mensen met wie je je diepste gedachten deelt. Dat zijn de mensen hier ook niet gewend. Je kunt je hier soms zó eenzaam voelen.


    BP

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • zondag, december 05, 2010

     

    Van niets naar nergens 22


    Boven naar beneden: Nijlpaarden in de Zambezi (foto Reg Gomes, website: http://picasaweb.google.com/lh/photo/Il_C8rTHOI_7HiZe_GNIxA); Hamerkopvogel (foto van Wikipedia: http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Hammerkop_Scopus_umbretta_National_Aviary_2000px.jpg); Rode rotsen aan de zuidoever van de Zambezi (foto Paul van Reenen, website: http://www.panoramio.com/photo/17066656)


    Klik hier en scroll naar beneden om te zien wat vooraf ging.

    Ik moet diep weggedommeld zijn geweest. Iemand streek door mijn haar en zei, wake up Snowwhite! De serieuze blik van de Hawaïaan staarde mij recht in de ogen. Je vrienden hebben wat boodschappen gedaan op de markt, mijn stuurman is er en we vertrekken zó met de motorboot. Hij gaf een serieuze knipoog en liep de kamer uit.

    Ik liep naar buiten waar op het gazon met uitzicht op de Luangwa en Zambezi rivieren het Zwitsers kwartet zijn twee tenten had opgezet. Het kleine tentje van de twee studentjes, dat ternauwernood toegang bood aan hen en aan hun bagage en de tent van het Canadozwitserse boerenstel waarin in ieder geval rechtop op de knieën gezeten kon worden. Lekker geslapen? vroegen Keith en Wendy glunderend. Volgens mij had je die slaap wel nodig, zei de Cz. boerin verontschuldigend, ik vond dat we je niet wakker mochten maken. Studentje P. stond er zwetend en wat bleekjes bij. Had ik ook maar even geslapen, zuchtte hij.

    Het liep inmiddels naar het middaguur en de hitte lag zwaar en vochtig over land en water. Het vadsige geknor van nijlpaarden klonk van ver over de rivieren terwijl we in de motorboot stapten. Gaan we die nijlpaarden nu ook zien? vroeg studentje D. vol verwachting aan de Hawaïaan die knikkend bevestigde.

    De snelheid van de motorboot zorgde voor welkome verkoeling. Studentje P. leek er ook wat van op te knappen. En enthousiast werd hij vooral toen we de nijlpaarden in zicht kregen. Rood aangelopen staken zij hun ogen, oren en neusgaten boven het wateroppervlak. P. vond het een oneindig komisch gezicht en probeerde de ene foto na de andere te maken. De stuurman hield de boot een beetje in om hem de gelegenheid te geven een paar fraaie plaatjes te schieten van de opmerkzaam spiedende nijlpaardenkoppen. Totdat op niet al te grote afstand een nijlpaard de kop boven het water stak en de enorme bek opensperde. Geschrokken keek ieder naar de stuurman en de Hawaïaan. Die moest alleen maar even gapen, verklaarde de stuurman lachend.

    We voeren de Zambezi stroomopwaarts op naar het Westen. Op de Zuidoever Zimbabwe, op de Noordoever Zambia. De rivier was wijds en langs de kanten waren rietbedden. En overal staarden nijlpaarden ons aan.
    - Hoe gevaarlijk zijn die nijlpaarden nu eigenlijk? vroeg studentje D.
    - Ontzettend gevaarlijk, antwoordde de Hawaïaan ernstig. Er zijn mensen die hier in een kano willen varen. Dat zou ik voor geen goud willen. Als zo’n beest een hekel aan je heeft om één of andere reden, hapt hij jou en je bootje zó door midden.
    - Echt waar? vroeg studentje P. ongelovig.
    - Echt waar, bevestigde de Hawaïaan.
    - Maar ik vind ze zo leuk, zei P.
    - But still, they are dangerous, bromde de Hawaïaan.

    De oevers waren glanzend groen met oprijzende struikerij en schaduwgevend geboomte. Hier en daar had zich een strandje gevormd van rood Zambezi zand. Sommige strandjes hadden sporen van dieren die gedronken of gebaad hadden of sporen van nijlpaarden die er ’s nachts aan land waren gegaan. Nu liepen er waadvogels rond, voornamelijk zilverreigers en smidskievieten en één maal de wat mysterieuze hamerkopvogel. Met de kijker speurend naar dierlijke kenmerken van allerlei uitsteeksels langs de oever had ik de grauwe vogel in het vizier gekregen. Een hamerkop gedraagt zich sowieso onopvallend, maar zie je hem eenmaal dan blijft hij de aandacht trekken door zijn vreemde uiterlijk. De studentjes waren onmiddellijk onder de indruk van de vogel.
    Ook waren er zadelbekooievaars met hun kleurige, buitenproportionele snavels en vlogen er witkoparenden op zoek naar prooi in het water.

    Wij speurden de wallenkanten gretig af. Was dat niet het bruin van een antilope? Nee het was een boomstronk. Schemerden daar geen hoorns van buffels? Nee het was een grote rots. En waren dat geen olifanten? Ja.., waarachtig! De boot werd ingehouden, waarbij de stuurman rekening moest houden met pardoes opduikende nijlpaarden. De motor werd afgezet. Onder het schaduwrijke lover aan de Zimbabweaanse oever stonden minstens drie olifanten van het sappig groene bladerdak te eten. We hoorden het gekraak van takjes en het geritsel van bladeren. De dieren zelf maakten geen geluid, geen gesnuif, geen gebrom, niets. Door de schaduwen waren de olifanten niet goed te zien. Tot een klein olifantje vlak vóór de struiken piepte, gevolgd door een oudere olifant die met de kop en de geweldige oren tussen de bladeren tevoorschijn kwam. Wij dobberden op de zuidelijke helft van de rivier op niet al te grote afstand van de olifanten, maar de reuzen hadden ons blijkbaar niet opgemerkt. Geen moment ging er een slurf speurend omhoog en de oren wapperden slechts langzaam ter verkoeling. Kijk, fluisterde de Hawaïaan mij toe, daarom ben ik hier zo graag.

    Tussen ons en de olifanten doken twee nijlpaardenkoppen op. Dat was betrekkelijk dichtbij en ze moesten al langer – onder water - in de nabijheid van de boot zijn geweest. Hadden de olifanten ons niet bemerkt, de nijlpaarden hielden ons wel in de gaten. De bootsman startte de motor. Verontschuldigend keek hij even naar ons en we voeren weer verder.

    Aan de Zambiaanse overzijde tussen hoogopschietende bomen lag een klein paleisje, enigszins in de vorm van een Achter-indische pagode. Personeel was druk bezig rond het bouwsel met schoonmaken.
    - Dat ziet er een beetje uit als een fata morgana, merkte ik op.
    - Dat is van een steenrijke landgenoot van mij. Hij ontvangt er allerlei hoog bezoek, politici, zakenlui en zo, zei de Hawaïaan.
    - Vreemde landgenoten
    - Ja, sprak hij traag en filosofisch, wij lijden wat af… En verder keek hij ernstig voor zich uit.

    Verder stroomopwaarts verhieven zich machtige heuvelruggen die vervaarlijk en donker langs de oevers van de rivier kwamen. Langs de Zimbabweaanse kant reikten hoge, rode rotswanden tot ver boven het water en staken scherp af tegen de zinderende blauwe hemel. Gierzwaluwen joegen er langs en enkele maraboes stonden als kapstokken met oude regenjassen langs de richels. Daar is een soort legende aan verbonden, zei de Hawaïaan, de stuurman weet er meer van. De stuurman hield de boot in en liet de motor zachtjes draaien. Hij vertelde in korte trekken een verhaal vergelijkbaar met de Mami Wata verhalen uit Midden Afrika, het Loreley verhaal uit Duitsland en het Sirenen verhaal uit de Odyssee. Het komt erop neer dat menige bootreiziger zijn hebben en houwen bij deze rotsen verloren heeft vanwege de schoonheid van de vrouw met weelderig lang haar, een heerlijke stem en een vissenstaart. Sommigen kwamen voor de rest van hun leven verdwaasd weer aan wal, anderen kwamen nimmer terug. De stuurman vertelde het, de tanden wit bloot lachend in zijn glanzend zwarte gezicht. Er viel een onwennige stilte. De rots torende hoog boven ons uit. Één van de maraboes spreidde de vleugels, klapwiekte en zeilde vervolgens naar boven. Die maraboes weten er waarschijnlijk alles van, zei de Hawaïaan, de stilte doorbrekend.

    We voeren weer stroomafwaarts en legden aan aan de Zambiaanse oever om een dorp te bezoeken waar de Hawaïaan bezig was geweest met schrikdraad tegen olifanten.

    Een rood zanderig pad leidde omhoog het land op, waar het dorp lag tussen veel groen en schaduwrijk geboomte. Het eerste wat opviel waren de kogelronde geiten met jongen die overal aan het rijke groen knabbelden. Maar de vrouwen en hun kinderen waren mager. De vrouwen met ingevallen wangen en tengere armen en de kinderen met rijstbuikjes. De Hawaïaan had ons gewaarschuwd dat er honger heerste in het dorp vanwege de niet al te vochtige regentijd. Op de gebruikelijke wijze werden wij begroet door de vrouwen: licht door de knieën buigend en klappend in de handen. De Hawaïaan en ik groetten op de zelfde wijze terug. De Hawaïaan had daar plezier in. Jij kent de procedure, constateerde hij met een serieuze glimlach.

    Niettegenstaande de armoede zagen het dorp en zijn mensen er schoon en opgeruimd, ja, zelfs feestelijk uit. De vrouwen kleedden zich in eenvoudige maar kleurige lappen en hadden fijn bewerkte kapsels. De hutten waren beschilderd met wit, zwart en rode en gele oker. De versieringen waren veelal geometrisch, simpel en weinig uitgebreid maar afgewogen van proporties. Veel rechte of gekartelde banden rondom de hutten en hier en daar ook dartbordachtige cirkels met zwart, wit en aardkleuren. Slechts bij enkele hutten waren meer naturalistische motieven als meanderende planten en bloemen te zien. De kleuren van de hutten waren helder en onbesmeurd door stof of modder.

    Maar waar waren de mannen van het dorp? Die zaten op een zanderige open plek bij de school (als gebruikelijk in Zambia wit en lichtblauw geschilderd) onder een vijgenboom met een monumentaal breed bladerdak te vergaderen. Ze zijn bezig, constateerde de Hawaïaan. Dat is jammer want ik wilde jullie graag voorstellen en een rondleiding vragen. Het voorstellen was niet zo’n probleem. Het dorpshoofd stond op, groette ons kort en schudde ons allemaal even de hand, verontschuldigde zich, maar zei dat de vergadering spoedig afgelopen zou zijn. In de tussentijd konden wij wel naar de nieuwe veldkliniek gaan. Daar was iemand aanwezig om ons te woord te staan. Waarna het dorpshoofd weer verder ging met de vergadering.
    - Er zitten helemaal geen vrouwen bij die vergadering, constateerde de Cz. boerin.
    - De mensen zijn hier erg traditioneel, verklaarde de Hawaïaan.

    De kliniek bleek nog niet in werking. Ze was nog in aanbouw. De kliniek was mogelijk gemaakt door het bereiken van dit dorp door dat moderne wonder: elektriciteit; en wel door middel van zonnepanelen. De bouw van de kliniek had enige vertraging opgelopen. Maar de bij de kliniek behorende arts en verplegend personeel zouden spoedig arriveren, dus er werd nu sneller gewerkt. Er moest niettemin nog veel gebeuren. De kliniek zou open zijn voor de gehele buurtschap rond het dorp en de wijde omtrek. De belangrijkste dagelijkse problemen zouden in deze kliniek behandeld kunnen worden: bevallingen, cholera, vitaminegebrek, malaria en diarree en er zouden geregeld inentingen plaats kunnen vinden van kinderen, want het schooltje stond aan de andere kant van het plein. Maar als mensen nu echt ernstig ziek zijn? wilden de studentjes weten. Dan zullen ze naar Lusaka moeten, zei de man. Maar we hopen dat veel ernstige dingen voorkomen kunnen worden omdat die ernstige zaken vaak voortkomen uit het veronachtzamen van kleinere kwalen die gemakkelijk behandeld kunnen worden.

    Inmiddels was de vergadering afgelopen en het dorpshoofd en nog twee mannen voegden zich bij ons gezelschap om ons te begeleiden naar de trots van het dorp en de Hawaïaan: de schrikdraad omheining tegen olifanten.


    BP

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • dinsdag, oktober 19, 2010

     

    Van niets naar nergens. Bijlage.

    Jonathan Dimbleby van de BBC reisde door Afrika. Daarbij deed hij ook Zambia aan. Nu eens niet om er naar honger en zieligheid te kijken, ook niet om er olifanten en leeuwen te zien en ook niet om er mensen in vreemde uitrusting te zien dansen. Wél rijdt Dimbleby er tractor op een farm en reist hij met de Tazara spoorlijn. Die spoorlijn heeft Uw reiziger meermaals gekruist, maar hij heeft er nooit in gezeten, want hij heeft een trauma over treinreizen in Zambia. Verder loopt Dimbleby in Lusaka te joggen met de Zambiaanse vrouwelijke boxkampioen Esther Phiri en is hij op de markt van Lusaka op zoek naar Mr. Reasonwhy. En wie dát is moet U zelf maar uitvinden in onderstaande twee filmpjes.





    Alles bij elkaar is er veel herkenbaars te zien voor Uw reiziger. Veel easy going mensen. Easy going al moeten ze nog zo knokken voor het bestaan. En bovendien mensen die graag een praatje maken met een musungu. Als je als musungu maar vriendelijk bent en belangstelling hebt.

    En let ook op de Afrikaanse achtergrondmuziek. Niets bijzonders, maar het zijn de klanken die je overal hoort uit radiootjes en in bars.

    BP

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • zaterdag, september 25, 2010

     

    Van niets naar nergens 21


    Het Nationaal Museum in Lusaka. Plaatje van deze website http://www.shetline.com/eclipse_trip.shtml .

    Naar goed Zambiaans gebruik is de gezamenlijke Zambiaanse website voor musea na een niet al te lang bestaan, weer uit de lucht. Zie: http://www.museums.co.zm/cgi-sys/suspendedpage.cgi .

    Klik hier en scroll naar beneden om te zien wat vooraf ging. Raadpleeg de archieven voor nog eerdere afleveringen.


    Het National Museum in Lusaka was uitgestorven. Er was een tentoonstelling van een prijsvraag voor schoolkinderen, één over grafisch werk (hout- en linoleumsneden etc.) uit Zambia en dan waren er de vaste opstellingen over de politieke geschiedenis van Zambia, plaatselijke gebruiken en de kunst. De kunstopstelling beperkte zich tot schilder- en beeldhouwwerken die iets zeiden over het dagelijkse leven of de geschiedenis van Zambia. De vaste opstellingen veranderden iedere keer als ik er kwam, maar de sfeer leek door de jaren heen te versomberen. Het museum wilde veel laten zien, maar het was of dat veel steeds te weinig was voor de grote ruimte. De politieke geschiedenis werd enthousiast gepresenteerd, maar alleen de geesten leken toe te kijken. De kindertentoonstelling zei veel over het dagelijks leven in Zambia, hoe de ouders denken en scheidslijnen tussen wat mooi en lelijk en wat goed en kwaad is. Maar publiek was er niet.

    Het fraaiste was de parterre met de grote vide met de houten vloer waar de hedendaagse kunst werd tentoongesteld. Langs de wanden schilderijen van mij bekende kunstenaars als Vincentio Phiri, Patrick Mumba, wijlen Henry Tayali en ja, ook Godfrey was gelukkig vertegenwoordigd. En op de vloer de sculptuuropstelling met werken van onder meer Flinto Chandia en Friday Tembo. Maar ik was de enige bezoeker in de grote, holle hal. Natuurlijk, het was een doordeweekse dag. Maar de gemiddelde Zambiaan heeft óf geen geld (ondanks gereduceerd tarief) óf geen interesse in de tentoonstellingen en de collectie heeft geen charisma bij toeristen. Zo leek het museum vooral voor educatieve doeleinden gebruikt te worden. En misschien was dat voorlopig ook genoeg.

    In de begindagen van het museum (het stamt uit de jaren ’90) was er nog een uitgebreide opstelling van voorwerpen die tot op de dag van vandaag nog gebruikt worden als magische objecten, die het eigen leven of dat van anderen moeten beïnvloeden. Veel van die dingen spraken enorm tot de verbeelding en trokken daardoor ook wel bezoekers. Maar het was of het museum zich er op den duur wat voor schaamde, want de opstelling werd zwaar ingekrompen ten voordele van objecten en stukken uit de politieke geschiedenis van Zambia.

    In de winkel zocht ik vergeefs naar folders, ansichtkaarten of catalogi. Ik trof er wetenschappelijk werk in spiraalcahiers aan. Niet oninteressant, maar ik wilde toch vooral plaatjes. Verder was er de gebruikelijke verkoopwaar: vlechtwerk, textiel, sierkoper en ja, desgevraagd waren er toch ansichtkaarten. Welke wilde ik hebben? Het onafhankelijkheidsmonument? De Victoria-watervallen? Leeuwen? Of olifanten? Ik bedankte vriendelijk.

    Ik had honger en liep naar het museum restaurant. Langs de ingang lopend zag ik een omvangrijke Afrikaanse dame met een glimmende, vlammende, roodgele jurk aan, een hoofddoek van de zelfde stof en een grote bril met een zwaar, modieus rechthoekig montuur. Zij werd geflankeerd door twee ernstig kijkende heren in pak met stropdas. Lenig liep zij naar binnen en groette mij in het voorbijgaan. Wie was zij? Een conservatrice? Een cultuurdame van de regering? Zo’n rechthoekig montuur is het internationale herkenningsteken van een culturele bobo. Ik groette vriendelijk terug. Zij gleed langs de plaque waarop stond dat het Museum mede met hulp van de Europese Gemeenschap was gerealiseerd. De ramen ernaast waren kapot en gebarsten. Cultuur, wat moet je ermee?

    Aan het restaurant was sinds de opening van het Museum in de jaren ’90 weinig veranderd. Het had meer weg van een bedrijfskantine. De ruimte was klein. Tafels en stoelen van onbeschreven ontwerp stonden wat door elkaar. Er was een toonbank waar een medewerker het voedsel warm maakte en in een bord schepte. Dat voedsel bestond uit vette kippenpoten, braadworsten, glimmende patat en aanverwante zaken. Verder kon er thee of koffie en Fanta, cola of mineraalwater besteld worden. Ik bestelde twee pasteitjes en patat met een flesje water. Zuchtend zette de kok de pasteitjes en de patat in de magnetron. Of ik nog iets bliefde? Nee, dank U. Oké, hij zou de patat en de pastei brengen als die warm waren.

    Ik ging zitten met uitzicht op de stoffige parkeerplaats en Independance Avenue. Dat gaf mij de gelegenheid te staren en verder te bedenken waar ik naartoe zou gaan. Het was duidelijk, het moest in ieder geval ergens aan de Luangwa rivier zijn. Misschien in de grensplaats Luangwa zelf? Belevenissen daar van vier jaar eerder bleven mij door het hoofd spelen.

    ---------



    Grotere kaart weergeven

    Luangwa op de landtong tussen de Zambezi (onder) en de Luangwa-rivier.

    De boottocht over het water, van de Mozambikaanse kant terug naar Luangwa in Zambia, bracht nog enige verkoeling maar aan land was het vochtig warm zonder een zuchtje wind. We waren allemaal sloom van de hitte. Het Canado-Zwitserse boerenstel was bovendien moe van elkaar. Het Afrikaanse deel van hun huwelijksreis was voor hen niet gemakkelijk. En hier hadden zij weer een teleurstellende ervaring achter de rug: verblijven in een kamp waar de decoraties bestonden uit nijlpaardenschedels, in de verte wat olifanten van de achterkant gezien, lek gestoken door de muggen, afgezet door de Mozambikaanse autoriteiten, wachten op een boot en wachten op een safariauto, die gewoon een pick-up truck bleek te zijn…. Afrika had zich laatdunkend aan hen gemanifesteerd. De Zwitserse studentjes waren ook teleurgesteld. Zij hadden sterk het idee, bekocht te zijn aan hun Afrikaanse avontuur. Hadden ze nu zoveel betaald om alleen maar olifanten van de achterkant in de verte te zien? Studentje D. bleef er nog levendig onder maar studentje P. kon alleen nog maar kreunen. Hij had zwaar te lijden onder de hitte. Het zweet lekte uit zijn haar op zijn bril en zijn kleren waren drijfnat. Bovendien voelde hij zich niet lekker en D. was bezorgd.

    Zelf had ik die nacht slecht geslapen. Ik had getracht in te dutten bij de nachtelijke geluiden, maar ik was steeds weer uit een zich herhalende droom wakker geschrokken. De droom die ik vaker heb in Afrika: ik ben in Nederland en moet daar allerlei dingen doen en plotseling realiseer ik mij dat ik in Afrika behoor te zijn, maar weet niet meer hoe daar te komen. Het is geruststellend dan wakker te worden in de Afrikaanse nacht. Maar dezelfde droom herhaalde zich steeds. Dankbaar maar geradbraakt zag ik het morgenlicht komen. De vochtige hitte deed de rest. Lusteloos had ik met het Zwitsers kwartet voet aan land gezet aan de Zambiaanse kant.

    Daar werden we verwelkomd door Keith en Wendy. Hoe het was geweest? In Zumbo geweest? Goed gegeten? Wild gezien? Ook informeerden zij naar de vriendin. Of het haar lukte de boel op orde te houden, of het personeel wel deed wat zij zei en hoe het met haar kindje ging. Bij het beantwoorden van de vragen kreeg ik al heimwee.

    Wendy nodigde ons naar binnen. We zouden wel honger en dorst hebben. En binnen is het een stuk koeler, zei ze en maakte rechtsomkeert de keuken in. We volgden haar gedwee. In de keuken stond een Amerikaan van in de dertig, vrij klein en met Hawaiaans uiterlijk.
    - Dit is B. Hij werkt hier voor de Peace Corps Volunteers. B. dit zijn mensen uit Zwitserland en Nederland. Zo stelde Wendy ons aan elkaar voor. Maar vertel het niet door want officieel zijn ze inwoners van Lusaka, voegde ze er knipogend aan toe.

    B. leunde tegen het aanrecht. Hij dronk een cola en terwijl ik de rest wilde volgen naar de woonkamer, kon ik het niet nalaten een opmerking te maken.
    - Ah, drinking a coke like a real American?
    Well, het was meer om voldoende vocht en suiker binnen te krijgen, antwoordde hij verrassend ernstig.
    - Je moet echt op dat soort dingen letten met dit weer, voldoende drinken, suiker, zout, eiwitten, vitaminen enzo. Anders overleef je hier niet.
    Hij keek me doordringend aan alsof hij wilde zien of zijn woorden wel goed aankwamen. Ik gaf toe dat het warme weer veel energie kostte en dat je je als toerist makkelijk te veel inspande. B. wilde nog iets terug zeggen maar Wendy kwam de keuken in: iedereen m’n keuken uit! riep ze. I’ll make us a nice cup of tea!

    In de woonkamer was het inderdaad behoorlijk koel. De Cz. boer zat omstandig uit te leggen wat er allemaal verkeerd was aan de overkant van de rivier en Keith zat er meewarig bij te knikken. De boerin legde haar hand kalmerend op de knie van haar man, maar die liet zich niet langer stoppen. Studentje P. zat in een diepe fauteuil naast mij, badend in het zweet en met de ogen dicht. Studentje D. had een gesprek aangeknoopt met de Hawaiaan. Ik zelf kon het allemaal niet zo best meer volgen. Ik had ontzettende slaap en ik vond ieder woord - beluisterd of uitgebracht – vermoeiend en een lichte hoofdpijn leek zich te nestelen onder mijn schedeldak.

    Maar D. haalde mij uit mijn zelfmedelijden. …..want hij zegt – en hij wees naar mij – dat er in dat nationaal park echt veel wild te zien is.
    - Je bedoelt South Luangwa? vroeg de Hawaiaan. Ik vertelde dat ik er een aantal keer geweest was in het verleden en dat ik het een fantastisch park vind. De Hawaiaan zei dat hij er nog nooit geweest was – te duur – maar dat hij er veel positiefs over gehoord had.
    - Maar jij had toch gezegd dat het niet zo duur was? vroeg D. met Zwitserse zuinigheid.
    - Niet als je kampeert, zei ik.
    - En jij dan? Jij hebt geen tent?
    - Nee ik huur een huisje. En dat is ook niet zo verschrikkelijk duur. Bovendien hoef ik dan niet te wachten tot de olifanten weg zijn als ik ’s nachts naar de wc moet.
    De Hawaiaan knikte ernstig en instemmend. Kamperen kan heel vermoeiend zijn in dit land, wist hij.

    Wendy kwam binnen met de thee. Ze had meerdere potten gezet. En of we ook een sandwich lustten? Het was er eigenlijk te warm voor, maar Wendy vond dat we wat moesten eten. She’s right, zei de Hawaiaan ernstig, je móét eten in dit klimaat.

    Met een sandwich achter de kiezen week de weeïgheid in mijn hoofd wat en vroeg ik de Hawaiaan hoe hij hier verzeild was geraakt. Hij had zoölogie gestudeerd maar was daarna terecht gekomen in Silicon Valley. Terwijl hij vertelde keek hij me doordringend aan met zijn bruine ogen vanonder zijn zwart glanzende haar. In Silicon Valley was hij financieel aan de grond geraakt en had toen besloten iets nuttigs te gaan doen en liefst iets met dieren. En zo kwam hij hier terecht. In een nabij gelegen dorp aan de Zambezi was hij bezig met schrikdraad tegen olifanten.

    - Olifanten! Zitten die hier dan? onderbrak de Cz. boer ons. We hebben ze alleen maar weg zien lopen!
    - Er is hier nog vrij veel wild, vertelde Keith. Er wordt momenteel vrij veel gestroopt in Zimbabwe aan de andere kant van de rivier. En ook in Mozambiek. Hier wordt het wild beschermd, dus het komt hier naar toe. Ik vond het al zo vreemd dat jullie wild gingen kijken aan de overkant.
    We vertelden hem van de lange Zambiaan in Lusaka. Ja, dat verklaarde hem veel.

    Hij stelde ons voor in Luangwa te overnachten. De tenten konden op het gazon gezet worden. Dan konden we nu nog wat eten kopen in Luangwa en dan wilde B. ons vast wel met de boot over de Zambezi naar zijn dorp brengen. Dan konden we dat dorp zien en onderweg zouden we vast nog wel wild zien.
    De Hawaiaan noemde zijn prijs (het kostte brandstof en er ging ook een bestuurder mee) en we werden het spoedig eens. P. was blij dat hij niet in de auto hoefde, hij zat nog steeds te zweten en zag er pips uit. Ook ik had weinig behoefte aan reizen in een auto, alleen, waar zou ik slapen die nacht?

    De studentjes zeiden dat er nog wel plaats was in hun tentje maar dat leek me niet.
    - Je kunt ook slapen in mijn hut, hier aan de rand van het dorp, bood de Hawaiaan aan. Het is niet luxe en ik weet niet of ik snurk, voegde hij er onverwacht glimlachend aan toe. Dat was, wat mij betreft dan geregeld.


    BP

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • zaterdag, augustus 14, 2010

     

    Van niets naar nergens: uit het persoonlijk archief van Uw reiziger

    Hieronder en in voorafgaande titelloze posten enige dia's en foto's, behorend bij Van niets naar nergens.

    V.b.n.b. en v.l.n.r.:
    Twee kiekjes in de buitenwijken van Lusaka, jaren '80.
    Een gezin in Lusaka laat zich fotograferen, jaren '80.
    Twee kiekjes van de ets-workshop, Lusaka 1986.
    "John Takawira, de Zimbabweaanse beeldhouwer, had mij vier jaar eerder al eens kennis laten maken met de witchdoctor in zijn dorp. De man was gestoken in zwarte lappen, had een licht petje op en liep op witte gympen. Hij was vriendelijke en trots op zijn roeping. Maar volgens John moest ik geen woord geloven van wat hij zei.", Chiweshe, Zimbabwe 1982.
    Bewaker van de maïsopslagplaats met een afwerend beeldje, Chiweshe, Zimbabwe 1982.
    Theatervoorstelling, Lusaka, jaren '80

    Plaatjes uit het archief van Uw reiziger, horend bij Van niets naar nergens 19.
    Zie verder: http://villa-la-repubblica.blogspot.com/2010/04/van-niets-naar-nergens-19.html

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  •  
    Bovenaan: Godfrey en zijn gezin in 1986. Verder: huiselijk leven rond de woning in Chunga, 1986.
    Dia's uit het archief van uw reiziger, behorend bij Van niets naar nergens 18.
    Zie ook: http://villa-la-repubblica.blogspot.com/2010/02/van-niets-naar-nergens-18.html

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  •  

    Dia's en foto's uit het eigen archief van Uw reiziger. Lusaka 1982. V.b.n.b. en v.l.n.r.:
    "Ik kreeg er de kamer van een blijkbaar zeer christelijke student. Aan de wanden en aan het prikbord hingen afbeeldingen van een Jezus die een zieke heelt, een Jezus die meewarig naar de armen kijkt, een Jezus die ons van de zonden redt. En plaatjes en artikelen over het dagelijkse bestaan in Afrika en de rol die de goede christen daarin speelt."
    Tekenen in de kamer op de campus.
    "Na het postkantoortje was er ruimer uitzicht. In de verte lag de skyline van het centrum van de stad met een rijtje torenflats. Ik maakte een dia van het uitzicht, maar dat bleef niet onopgemerkt."
    Volgende drie foto's: "In Luburma Market was alles te koop. Van kleding, fruit en vis tot meubilair en fietsonderdelen. Ik liep er met een andere workshopganger rond en beide waren we gewapend met een camera. De mensen bekeken ons met argwaan. Slechts een enkeling wilde graag op de foto. Mijn collega merkte er niets van en stapte zonder blikken of blozen het armste gedeelte van de markt binnen, waar kooplui vrijwel constant onder jute lappen en plastic woonden, en ging daar foto’s maken van de manden die die arme lui hadden om hun koopwaar mee te vervoeren. De kooplui wisten niet wat hun overkwam. Iemand die foto’s van hen liep te maken, moest wel verdacht zijn, want waarom zou zo’n wildvreemde blanke nu geïnteresseerd zijn in armeluikoopwaar?"
    Drie belangrijke kunstenaars die deelnamen aan de workshop: de Zimbabweaanse beeldhouwer John Takawira, de Zambiaanse graficus Patrick Mweemba en de Zimbabweaanse beeldhouwer/schilder Thomas Mukarobwa.
    "Er was ook een theater- annex dansgroep als onderdeel van de workshop, compleet met Afrikaanse trommels."
    De leider van de dansgroep Brian Ph. Njovu.
    Volgende twee plaatjes: de dansgroep op het gazon van de universiteit.
    De dansgroep in Munda Wanga gardens.
    Volgende twee plaatjes: de dansgroep in een buitenwijk.
    De zoon van John Takawira geniet van Chibuku Shake Shake (Chiweshe, Zimbabwe, 1982)

    Plaatjes behorend bij Van niets naar nergens 17.
    Zie ook: http://villa-la-repubblica.blogspot.com/2010/01/van-niets-naar-nergens-17.html

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  •  
    "In South Luangwa in de jaren ‘80 werden veel olifanten gestroopt. Als ik nu plaatjes met olifanten uit die periode terugzie, valt me op dat de meeste olifanten weglopen, terwijl olifanten van nature bepaald niet bangelijk zijn aangelegd."
    Plaatje uit het eigen archief van Uw reiziger, behorend bij Van niets naar nergens 15.
    Zie verder: http://villa-la-repubblica.blogspot.com/2009/07/van-niets-naar-nergens-15.html

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  •  
    Zie boven het resultaat van wat Uw reiziger nog heeft kunnen redden van het overbelichte diarolletje. Van boven naar beneden:
    Dorpsgezicht in Zumbo, Mozambiek.
    "Onder veel bekijks van een grote kinderschaar bereikten we de roeiboot weer."
    Op de Zambezi.
    Vissers in een makoro op de Zambezi.
    Platjes behorend bij Van niets naar nergens 14. Zie verder: http://villa-la-repubblica.blogspot.com/2009/05/van-niets-naar-nergens-14.html

    Labels:

  • CONTACT
  • Facebook