zaterdag, juli 04, 2009

 

Van niets naar nergens 15



Boven: Meyer’s papegaai (Poicephalus meyeri); foto van: http://www.biodiversityexplorer.org/birds/psittacidae/poicephalus_meyeri.htm
Onder: Zadelbek ooievaar (Ephippiorhynchus senegalensis); foto van: http://www.biodiversityexplorer.org/birds/ciconiidae/ephippiorhynchus_senegalensis.htm

We hadden zojuist gekookte zoete aardappels met kool en omelet met tomaat en ui gegeten. Het was eigenlijk te warm om te eten, zo in de vroege middag. De studentjes hadden een thermometertje bij zich en het was ver boven de 40 graden. Studentje P. kon er maar moeilijk tegen. Het zweet stroomde uit zijn haren, zijn shirtje was kletsnat en er kon geen lachje meer af. Het eten stond hem tegen en we waren allemaal bezorgd om hem. De vriendin, die zich - hoewel ook bezweet - met gemak en gratie door de hitte bewoog, ried hem aan een douche te nemen. En dan zet ik een pot met thee voor je want je moet veel drinken, zei ze moederlijk.
Ondertussen was het wachten op de safariauto. De rijzige Zambiaan in Lusaka had ons olifanten en buffels in overvloed toegezegd. En daar komen altijd leeuwen achteraan, had hij er veelbetekenend aan toegevoegd. Nu was het maar de vraag of de olifanten, buffels en leeuwen zich ook aan die toezegging zouden houden. Tijdens mijn eerste safari - in 1982 - was er een Amerikaans gezin met twee kinderen in het gezelschap. We willen leeuwen zien, hadden ze gezegd tegen Mulenga, de Zambiaanse gids en chauffeur. Zij waren slechts voor twee nachten op safari in South Luangwa National Park. We zagen veel giraffen maar de leeuwen hielden zich schuil. Where are the lions, jengelden de Amerikanen bij de gids op hun laatste tochtje in de safariauto. Ik heb het ze niet gevraagd, mompelde Mulenga. Maar de Amerikanen vonden dat zij ervoor betaald hadden. De dag nadat zij vertrokken waren, zagen wij een leeuwin met welpen en verderop een bruin bemaande leeuw. We zagen ze dankzij de scherpe blik van Mulenga, want ze vielen niet erg op in het hoge, geelbruine gras. Sindsdien ga ik ervan uit dat de geesten met mij zijn in Afrika. Toegegeven, soms slapen ze of zijn ze anderszins inactief, maar ze zijn me welgezind.
Hebben jullie vanmorgen nog sporen van wild gezien? vroeg de Canadozwitserse boer aan studentje D. en aan mij. Nee, maar we hadden ook niet zo opgelet. In ieder geval hadden we geen sporen of drollen van olifanten gezien. Zijn hier ook olifanten in de buurt? wilde D. weten van de vriendin. Ze knikte minzaam. Nu zijn ze niet hier, maar er zijn ochtenden dat je moet uitkijken wanneer je naar het dorp loopt, verklaarde ze. Soms komen ze bij het dorp en vernielen daar de tuintjes van de bewoners.
- Dus dan zullen ze ook wel gestroopt worden, concludeerde de Cz. boer. Nou, dan zullen we er dus ook wel niet veel te zien krijgen!
Het was duidelijk: voor hem kon de dag nog kapotter worden dan hij al was.
In South Luangwa in de jaren ‘80 werden veel olifanten gestroopt. Als ik nu plaatjes met olifanten uit die periode terugzie, valt me op dat de meeste olifanten weglopen, terwijl olifanten van nature bepaald niet bangelijk zijn aangelegd. In 1986 troffen we langs de weg naar Chichele een olifantenkarkas aan. Olifanten sterven nooit langs de weg, zei de gids met gevoel voor theater. Sinds de jaren ‘90 zijn de aantallen olifanten in Zambia’s meest populaire park gelukkig weer toegenomen en lopen ze niet meer weg voor auto’s. Niet dat dat nu steeds een pretje zonder gevaar is, maar het herinnert je eraan dat de wereld niet alleen van mensen is. Waren olifanten mensen, zij zouden voor terroristen versleten worden.
De safaritocht zou om vier uur beginnen, als de hitte weer wat afgenomen zou zijn. Maar om vier uur kwam er geen safariauto. Drie kwartier van oplopende irritatie verstreken. De arme vriendin kon geen argumenten meer vinden om ons gerust te stellen. Uiteindelijk stelde zij voor dat we de safariauto tegemoet zouden lopen. Die moest vanuit het zuiden komen.
Er kwam een pick-up truck tussen de bomen tevoorschijn met vijf mensen achter in de bak. Het leek alsof de vriendin aan de chauffeur wilde vragen of hij de safariauto ook had gezien, maar wat bleek: dit wás de safariauto.
De vijf man in de laadbak - meelifters - schikten welwillend voor ons in en er waren wat kussentjes om op te zitten en onze gevoelige Europese achtersten te beschermen tegen de Afrikaanse kuilen. Hoewel ik het mopperen graag aan mijn reisgenoten overliet en graag charmant bleef tegenover de vriendin, zei ik haar dat we hier toch liever een beetje op voorbereid waren geweest. Ze keek me kort en hulpeloos in de ogen. I’m sorry, mompelde ze en keek weer stuurs vooruit. Sorry!, gromde de Cz. boer, dat is het enige wat ze hier zeggen kunnen. Maar hier hebben we niet voor betaald! Dat bracht mij op het goede idee om van het namiddagse tropische landschap te genieten. En vooruitkijkend keek ik naar de rug van de vriendin. Zelfs van achteren zag ze er ontwapenend hulpeloos uit.
In het dorp met de boom en de put klommen twee van de vijf meelifters uit de laadbak. Hun dag zat erop, ze waren thuis waar ze tijdens het eten van nshima konden vertellen dat ze met vijf musungu’s in de laadbak hadden gezeten, maar dat die helemaal niet vrolijk hadden gekeken, terwijl ze toch op kussentjes mochten zitten.
We passeerden de laatste akkertjes van het dorp en van daaraf reden we door groen galerijbos met vochtige dambo’s waar regenpoelen tussen de struiken en het riet glinsterden. Links van ons lag de machtige Zambezi die zich geleidelijk verbreedde naar het Cahora Bassameer. Eromheen doemden machtige heuvelruggen op, het roodbruin van hun rotsen en het groen van hun bossen in het lage namiddaglicht. Een perfect landschap om in te verkeren, zo bedacht ik mij, mij met één arm vasthoudend aan de rand van de laadbak om niet te veel last te hebben van de kuilen in de weg.
Ik heb nog geen wild gezien, zo haalde D. mij uit mijn droom. Dat is natuurlijk allemaal weggeschoten, merkte de Cz. boer op. Kijk, riep P. en wees naar boven, een vlucht papegaaien!Luidruchtig schreeuwend vlogen zij over een strook open savanneland naar een weelderig groene bomenrij.
Ondertussen gebaarde de vriendin de chauffeur even stil te staan en vroeg ze mijn kijker om beter over het open savanneland te kunnen kijken. Zelf had ze geen kijker. Ik legde de riem van de kijker om haar nek en instrueerde haar hoe zij moest scherp stellen. De drie meelifters - onderweg naar een onbekende bestemming - tuurden gedrieën naar de bomenrij waar de papegaaien in verdwenen en wezen opgewonden in die richting. Is er wat te zien? vroeg ik. Ja, er zitten gieren bij die bomen en nu denken deze mannen dat er misschien een dood dier ligt. Volgens hen zijn hier laatst ook hyena’s gezien. Ze gebaarde de chauffeur van de weg af te gaan en een stukje de savanne in te rijden. Maar dat werd na twintig meter al te vochtig en de truck was niet echt geschikt om mee over struiksavanne te rijden. Onverrichter zake reed hij weer terug.
Door dit verder onbetekenende moment had de safarikoorts zich plotseling van ons meester gemaakt. De auto reed stapvoets. De drie lifters met onbekende bestemming tuurden rechts van de auto en praatten zacht met de vriendin die door de kijker keek. Het Zwitsers kwartet keek ademloos met kijkers door het steeds schaarser wordende namiddaglicht. Zelf voelde ik me wat onthand, zo zonder kijker. Ik wees het Cz. stel op twee zadelbekooievaars die statig over de bomen aan kwamen zeilen, daalden en daarna verdwenen in het hoge gras. Het kwartet was onder de indruk, zulke grote ooievaars hadden zij nog niet eerder gezien.
De lifters hadden onze extase gezien en vroegen via de vriendin wat we zagen. Hadden we olifanten gezien? Nee ooievaars. De lifters lachten wat schaapachtig. Ooievaars? Vogels? Die heb je toch overal op de wereld?
De zon daalde nu snel en de bosranden werden donkerder en vertoonden allerhande dierlijke vormen zoals donkere bosranden dat meestal doen. Maar bij de volgende bosrand zagen we op grote afstand dan eindelijk de gewenste olifanten. Voor zover zichtbaar waren het er twee; het was inmiddels te schemerig om vast te stellen hoe groot ze werkelijk waren en ze bleven met hun achterwerken in onze richting staan. En dat was meteen het laatste wat we dat etmaal bij daglicht konden zien.
Ik stelde vast dat de Afrikaanse geesten mij nog steeds goedgezind waren, maar dat zij die dag blijkbaar wat meer goedgezindheid terug hadden verwacht. Of misschien hadden zij gewoon last van de hitte…

Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • 0 Comments:

    Een reactie plaatsen

    Links to this post:

    Een link maken

    << Home