dinsdag, juli 01, 2008

 

Van niets naar nergens 07



Foto’s :
boven: gezicht op het Bengweolomeer bij Samfya (van site:
http://www.nrzam.org.uk/BrianBarratt/BrianSamfyaLHSbot.html )
onder: gezicht op het Tanganyika meer (fraaie foto van de nogal bedenkelijke site
http://www.greatnorthroad.org/bboard/images/0704/tangan1.jpg )
Natuurlijk had ik van te voren al wel nagedacht over wat ik zou gaan doen in Zambia. Het land biedt oneindige mogelijkheden voor wie veel tijd heeft. Er is veel fraais te zien, maar dat fraaie is meestal niet gemakkelijk bereikbaar. Ik had in het land eerder gelopen, gelift, gebust, getreind en gevlogen. Ik had er mensen ontmoet die mij dierbaar werden, maar toch uit mijn leven zijn verdwenen.
Mensen die Zambia vluchtig aandoen tijdens een grote Afrikaanse trip, lijken er met gesloten ogen doorheen te reizen. Zij zien het land als een noodzakelijk kwaad om bij de Victoria watervallen te geraken, in de woestijnen van Botswana en Namibië of bij de bijzondere mengelmoes van het grote Zuid Afrika. Een aantal mensen doet in Zambia South Luangwa National Park aan, en een veel kleiner aantal bezoekt andere parken als Kasanka, Lower Zambezi of Kafue.
Het is begrijpelijk. Voor wie in de Drakensberg is geweest, enorme kuddes gnoes en zebra’s op de schier oneindige vlakten van Oost Afrika heeft gezien, voor wie de Kilimanjaro heeft beklommen en de gorilla’s in de bergwouden van Oeganda van nabij heeft mogen zien, voor wie zich heeft vergaapt aan de Masai en aan de wilde canyons van Ethiopië en voor wie de wijnen ter Kape heeft geproefd en daar langs de kust de walvissen heeft zien spuiten, voor wie zich door een witch doctor een ziekte heeft aan laten praten of voor wie beroofd is in Nairobi of Johannesburg, tja voor al die mensen heeft Zambia niets spectaculairs te bieden. Maar wie oog heeft voor een land met een vriendelijke dorpsbevolking, een land waar burgeroorlog vreemd is, een land dat uitgestrektheid paart aan intimiteit, en nuchterheid aan mystiek, ja, die zou eens een paar maanden in Zambia moeten zijn.
Een paar jaar eerder was ik terecht gekomen bij het drielandenpunt met Zimbabwe en Mozambiek. Ik had samen met anderen een auto gehuurd in Lusaka. Met een Canadees - Zwitsers stel op huwelijksreis en twee jonge Zwitserse biologiestudenten. Het stel had er met tentje en slaapmatjes al flink wat weken zwerven opzitten, zij waren vanuit Canada over land naar Argentinië getrokken en vandaar naar Zuid Afrika gevlogen, waar zij hoopten de zelfde manier van reizen te kunnen vervolgen. Maar nu brak hen duidelijk de vermoeidheid op. Wie vermoeid is gaat zich al reizende ergeren. En je kunt je aan veel dingen ergeren in Afrika. Het leven verloopt er nog langzamer dan in Zuid Amerika en de bevolking is eigenzinnig en heeft een andere levensinstelling dan in Europa of Amerika. In Afrika denken ze schijnbaar anders dan een Canadozwitserse boer of boerin die veel van dieren houdt. Ook wordt er in Afrika anders gedacht over het inrichten van een land of samenleving dan in Zwitserland, waar toch al sinds eeuw en dag de gehele bevolking een gezamenlijke verantwoordelijkheid draagt voor het ordentelijk toiletteren van de alpentoppen. En wanneer je dan al zo lang reist en op een slaapmatje slaapt, dan wreekt zich dat.
De twee studentjes hadden de neus nog zelden buiten Zwitserland gestoken. Zij waren ingevlogen via Victoria Falls en wilden van alles zien op het gebied van planten en dieren. Een docent had hen gevraagd zoveel mogelijk geleedpotigen op sterk water mee te nemen. Zij hadden hiertoe een vernuftig vangsysteempje meegenomen, waarbij de spinnetjes en torretjes in één beweging gedrogeerd werden en zo een wellicht prettige dood stierven. Of de studentjes hun vangst ook mochten meenemen naar Zwitserland is mij niet bekend.
Alle vier wilden zij in luttele dagen zoveel mogelijk spectaculairs zien in Zambia. Het echtpaar was sceptisch: er werd naar hun oordeel veel gestroopt in Zambia en ze hadden een zieltogende hond zien liggen op een straathoek in Lusaka, zonder dat er iemand een hand naar had uitgestoken. Het was duidelijk: Afrikanen zijn niet diervriendelijk. Spectaculair wilde voor het stel zeggen: veel wild zien. Hun boerenafkomst werd verraden doordat zij vooral graag buffels wilden zien. Dat grote wilde zwarte vee hadden zij gemist in Botswana, waar zij gekampeerd hadden in Chobe. Maar in Zambia hadden ze nog geen wild gezien, behalve wat miezerige aapjes en een onverhoedse haas. Dat zou wel door de stroperij komen. De studentjes hoorden het allemaal een beetje bedremmeld aan. Waren zij naar Afrika gegaan om er in een leeg gestroopt land terecht te komen? Wat een nachtmerrie voor een biologiestudentje!
Toen ik het kwartet ontmoette in Lusaka kwam ik juist terug van een reis door het noordoosten van het land. Waar ik mee kon liften met twee ambtenaren van het ministerie van landbouw. Zodoende hadden wij ons op onvergetelijke wijze midden in de regentijd (het was februari) doorheen de moerassige modder van Northern Province en Luapula Province geworsteld. Maar aan al het avontuurlijke kwam een eind. Uiteindelijk kwam ik terecht in Samfya aan het Bengweolo meer. Mijn oorspronkelijke idee was daar langer te blijven en te kijken of het mogelijk was langs het meer en door de moerassen te varen. De mensen leven daar op geheel doorsijperde sponzige eilanden, zo goed als drijvend tussen water en riet met al hun levende have.
Maar het weer aan het ondiepe meer was zo afschuwelijk druilerig. Het was grauw en het motregende er ‘s morgens bij het licht worden al en dat hield niet op tot een uur of drie in de middag. Dusdanig dat ik op slag weinig zin meer had in avonturen van wat voor aard dan ook. Het eerder die maand bezochte Tanganyika meer had me versteld doen staan, bijna betoverd met zijn fata morgana’s. En ook met zijn fantastische kusten. Maar het Bengweolo meer was grauw, vlak en ondiep. De naam zou betekenen “waar het water en de hemel elkaar bereiken”. Het moet gezegd, het meer voegde de daad wel heel letterlijk bij het woord.
Ik was er nog even gebleven in de hoop dat een zonovergoten morgen zich aan zou dienen. In de tussentijd darde ik langs het strand. Men waarschuwde mij voor krokodillen in het riet, maar helaas, zelfs een dergelijke bloedstollende ontmoeting was mij niet vergund. Ik ging met wat lokale mensen uit eten in het plaatselijke restaurant en informeerde eens naar de postboot over het meer. Maar ik deed dat met weinig enthousiasme. Tegen de avond was het steevast helder en er waren wat Samfyanen die het een mooi verzetje vonden om eens met een Europeaan in hun plaatselijke eetlokaal te zitten en er een biertje mee te drinken. En dan was het wel weer gezellig. Eigenlijk had ik die luttele dagen - achteraf lijkt het me een eeuwigheid te zijn geweest - weinig te klagen. Er zijn altijd mensen in Zambia om mee te praten, te eten, te drinken. En er was ‘s avonds een lift terug naar mijn onderkomen aan het meer. En toch, na alle omzwervingen binnen een klein aantal weken, voelde ik me vermoeid en vergrauwd op die plaats waar zowel het water als de hemel zo nabij waren.
Zodoende nam ik de bus weer naar Lusaka en belandde daar - behoudens één overnachting onderweg - in de avond, waar ik het Zwitsers kwartet ontmoette.
Maar wat had dat betekend voor het bepalen van mijn reisdoel tijdens het verorberen van mijn full English breakfast?
BP

Labels:

  • CONTACT
  • Facebook
  • 0 Comments:

    Een reactie plaatsen

    Links to this post:

    Een link maken

    << Home