zondag, december 20, 2009

 

In search of the miraculous

Bas Jan Ader: Please don't leave me, installatie, 1969


Wie – zoals ik – geïntrigeerd is door het werk van Bas Jan Ader (Winschoten 1942 – Atlantische oceaan 1975), kan moeilijk anders dan zelf op zoek zijn naar het miraculeuze in diens werk. Het oeuvre van Ader is klein, het lijkt eenvoudig – soms zelfs futiel – en het is verstoken van mooiigheid. Waar zit de aantrekkingskracht? Vanaf mijn eerste kennismaking (ik schat ergens eind jaren ’70) heeft die vraag me beziggehouden.

Is het het neervallen in de foto’s en de filmpjes, het niet ophoudende vallen van de tranen, het letterlijk dood en onverrichter zake eindigen van zijn laatste project? Dat laatste is natuurlijk een nogal dramatisch gegeven. Ader ging in zijn eentje de Atlantische Oceaan overvaren in het kader van het werk In search of the miraculous en overleefde dat niet. Maar maakt een dergelijk einde een kunstwerk interessanter? Het zoekraken van Ader op de oceaan wordt nog steeds graag mysterieus genoemd. Maar zoekraken op een oceaan is natuurlijk niet echt iets mysterieus, het behoort gewoon tot de mogelijkheden. En Ader was niet de eerste die dat overkwam. Als hij het wel had overleefd, zou In search of the miraculous dan minder mysterieus zijn geweest? Daar kan alleen maar over gespeculeerd worden.

Bas Jan Ader: Thoughts unsaid, then forgotten, installatie,1973

De meeste werken van Ader zijn opvallend dramatisch dan wel theatraal. En zelf speelt hij vaak de hoofdrol: hij valt van een dak, hij fietst regelrecht de gracht in, hij hangt aan een tak boven het water te bungelen tot hij in de plomp valt, hij valt om op een pad voor de Westkapelse vuurtoren (inderdaad: die van Mondriaan), hij schikt eindeloos bloemen zonder tot een eindresultaat te komen, hij huilt zonder ophouden, hij staat romantisch naar een zonsondergang aan de kust te kijken en – om het rond te maken – hij verdwijnt in een bootje op de oceaan. En waar hij niet zelf als hoofdrolspeler optreedt is er iets persoonlijks terug te vinden als in All my clothes of is er iets persoonlijks te lezen: Please don’t leave me; Thoughts unsaid, then forgotten.

Bas Jan Ader: Farewell to faraway friends, foto, 1971

De titels van Ader’s werken kunnen als onderdeel ervan beschouwd worden. Een foto van Ader die naar een zonsondergang aan de rand van het water staat te kijken, heeft inhoudelijk al iets romantisch door de reminiscentie aan het werk van Caspar David Friedrich waarin menselijke figuren verloren of aanschouwend in een grootse en overweldigende natuur staan. De foto heeft de titel Farewell to faraway friends, een titel die het werk verandert van een romantische foto in een onverholen pathetische foto.

Toch zijn niet alle werken van Ader inhoudelijk zo romantisch. Althans niet op het eerste gezicht. Een aantal werken met een val laat zelfs alleen maar de gebeurtenis van het vallen zien. Er is geen aanleiding voor de val en de nawerking van de val, zoals verwondingen of pijn, is ook niet te zien. Noch is er schijnbaar enige vorm van symboliek te zien in de plaatjes en filmpjes.

Bas jan Ader: On the road to a new Neo Plasticism, 1971


Behalve in de plaatjes en filmpjes met de Westkapelse vuurtoren op de achtergrond (Broken fall (geometric), 1971; On the road to a new Neo Plasticism 1971). Zowel de titels als de Westkapelse vuurtoren hebben een kunsthistorische associatie met Mondriaan. On the road to is de meest uitdrukkelijke referentie aan Mondriaan. En mede daardoor mijns inziens de minst geslaagde. De kunsthistorische connotaties (het blauwe kleedje, de jerrycan, de rode doos) spelen te zeer een hoofdrol en halen daardoor de dramatiek van de foto’s onderuit.



Bas Jan Ader: Broken Fall (geometric), 1971

Het omvallen in Broken fall (geometric) voor de machtige vuurtoren - terwijl een schraag, waar Ader tegenaan valt, weinig soelaas biedt – heeft al meer impact.


Bas Jan Ader: zonder titel, foto 2, 1971


Het meest indrukwekkende werk naar dit thema is naar mijn idee echter een postuum uitgegeven serie van twee foto’s, zonder titel uit 1971. Op de eerste foto staat Ader in het zwart gekleed en op de rug gezien rechts naast een geelbruin houten wachthuisje waarvoor een gesloten, witte slagboom staat. Links van het huisje op de achtergrond voor de horizon is de Westkapelse vuurtoren te zien. De lucht is licht Zeeuws blauw en de zon schijnt. De schaduwen op de grond van wachthuisje, slagboom en Ader wijzen schuin aflopend naar rechts. Evenals een wit pad dat op de achtergrond naar de horizon in de richting van de vuurtoren loopt. Op de tweede foto ligt Ader op de grond in de richting van de schaduw, schuin naar rechts. Er kan van alles gezegd worden over de vuurtoren, de witte lijnen van de slagboom, het witte pad op de achtergrond, de schaduw en het rechtovereind staan van Ader in de eerste foto en over de vuurtoren en het wachthuisje, en het liggen van Ader in de zelfde richting als de schaduw etc. in de tweede foto. Er zou zelfs iets gezegd kunnen worden over het aflopende dak van het wachthuisje. Het loopt af in ongeveer de zelfde richting als de schaduwen.

Ongetwijfeld zat Mondriaan hier weer in het hoofd van Ader. Dat is wellicht een aardige, geruststellende kunsthistorische gedachte. Maar verdere, al te nadrukkelijke verwijzingen als primaire kleuren zijn niet aanwezig. De enige dramatiek bestaat eruit dat Ader in de tweede foto op de grond ligt. Weliswaar suggereert het liggen niet dat Ader daadwerkelijk omgevallen is (zijn voeten liggen een stuk verder naar links dan waar hij in de eerste foto staat) maar Ader lijkt hier net zo redeloos te liggen als na een val in andere werken. Het ontbreken van enige duiding voor het liggen maakt het geheel des te dramatischer. De dunne schaduwen en de richting die zij in beide foto’s aangeven tegenover het verticale van de vuurtoren, het wachthuisje en de staande figuur in de eerste foto geven een eenheid aan beide foto’s. Wat er buiten de foto’s verder in het landschap te zien is, is onbelangrijk en de toevalligheden van de schaduwen en richtingen, ja zelfs de wat fletse kleuren van lucht, gras en bouwsels lijken samen een strakke regie te vormen. De strakke ordening binnen de foto’s die op het eerste gezicht willekeurig lijkt, maakt het werk wat mij betreft intrigerend en het geeft een sfeer van onoverkomelijkheid en ingehouden dramatiek.

Het werk is tijdens het leven van Ader niet gepresenteerd. Dat verklaart waarschijnlijk waarom het geen titel heeft. En eerlijk gezegd mis ik de titel ook niet. De foto’s zijn sterk van zichzelf en een titel – of die nu droog, komisch of pathetisch is – voegt mijns inziens niets toe.



Er is nog een vergelijkbaar ongetiteld werk uit 1971. Het gaat om twee dia’s. Op de eerste staat Ader in een naaldbos iets rechts van het midden naast een boom. Op de volgende dia ligt hij op de grond naast dezelfde boom. Achter en rechts van hem zijn enige bomen gekapt. Hoewel het verhaal grotendeels over horizontaal en verticaal lijkt te gaan, is er meer te zien. In de eerste dia overheerst het verticale. Maar ook een gebrek aan licht en een gevoel van ondoordringbaarheid van het woud zijn aanwezig. In de tweede dia zorgt het kappen van de bomen – het vallen – voor een open plek en meer licht in de dia. Licht en openheid worden gecreëerd door het vallen, benadrukt door de liggende Ader. Liggen en vallen brengen blijkbaar licht.

Beide ongetitelde werken laten het vallen zelf niet zien. In de bomenserie staat Ader eerst naast een boom en later ligt hij ernaast. Maar hij ligt niet op de zelfde plek. Slechts het feit dat een aantal bomen gekapt is suggereert dat de persoon ook gevallen is. Ook in de twee Westkapelse foto’s is er geen sprake van een duidelijke val. Daar lijkt zelfs benadrukt dat het niet om een val gaat.

Bas Jan Ader: Fall 2, Amsterdam (1970)


In de andere “valwerken” wordt er juist nadrukkelijk gevallen. Het meest overrompelend in Fall 2, Amsterdam (1970) waarin Ader zonder plichtplegingen per fiets de gracht in rijdt. Hier geen kunsthistorische symboliek. Het hele gebeuren is op zakelijke wijze vastgelegd. Het enige detail dat wellicht opvalt is het bosje bloemen dat Ader in de hand houdt tijdens de val. Toch een detail om het filmpje enige pathetiek mee te geven? Voor het overige geeft het filmpje niet meer dan een droge registratie van een gebeurtenis waarvoor geen aanleiding lijkt te zijn. Er is niemand die Ader dwingt te water te gaan. Hij rijdt vrij werktuigelijk het water in, zonder schreeuw of gebaar. Ook de afloop is niet duidelijk. Fiets en berijder plonzen in het water en daar eindigt het verhaal. Toch blijft de vraag knagen waarom Ader hier het water in fietst. Er is blijkbaar een voorafgaande aan dit filmpje dat de dramatiek verhoogt. Dit idee wordt verhevigd door het bosje bloemen. Waarom heeft Ader een bosje bloemen bij zich? Waren de bloemen voor iets of iemand bestemd? Zijn ze als offergave bestemd voor het water? Er is iets buiten dit filmpje dat het meer spanning geeft dan alleen de getoonde actie. De vraag waarom maakt het filmpje als het ware compleet. Verhoogd door de vastberadenheid waarmee Ader het water in rijdt.

Bas Jan Ader: Broken Fall (organic), Amsterdamse Bos, Holland, 1971


Er lijkt ook geen reden voor de val in het filmpje Broken fall (organic), Amsterdamse Bos, Holland (1971). Waarom gaat iemand aan een tak hangen om zich daarna in het water te laten vallen? Het filmpje is relatief lang. De hele actie duurt meer dan zes maal langer dan Fall 2. We zien Ader geruime tijd kronkelen en bengelen voordat hij valt. Hierdoor wordt de spanning opgevoerd. Er is wederom geen reden die vooraf gaat aan de val, er is slechts de spanning van het bengelen en de onherroepelijkheid van wat komen gaat. Het is of de vraag naar het waarom hierdoor meer naar de achtergrond geraakt. De abruptheid van Fall 2 is in Broken fall (organic) vervangen door spanning. Er zijn geen pathetische details in Broken fall (organic). Toch lijkt de vraag waarom hier enigszins beantwoord te kunnen worden: Waarom valt Ader uit de boom? Omdat dat er vanaf het begin van het filmpje in zat, zoals in iedere goede nachtmerrie. Boze dromen zijn immers uitgevonden voor de Wet van Murphy. De spanning in het filmpje geldt dan ook niet of Ader zal vallen, maar wanneer en hoe. De reden van de val is daarmee alleen de onherroepelijkheid zelve. Je ziet Ader’s inspanningen en zijn val. En dat lijkt al ernstig genoeg.

Bas Jan Ader: Fall 1, Los Angeles, 1970


In een ander “valfilmpje” Fall 1, Los Angeles (1970) spelen zowel de abruptheid van Fall 2 als de spanning van Broken fall (organic) een rol. De actie is kort: Ader zit op een stoel op de nok van een dak en valt daar met stoel en al vanaf. De spanning van de aanloop naar de val is zeer veel korter dan in Broken fall (organic) maar het geheel heeft wel het gevoel van onherroepelijkheid. Ook wordt de kijker abrupt met het gegeven van de val geconfronteerd als in Fall 2. Verder is het meest opvallende detail uiteraard het feit dat Ader op een stoel zit op een dak van een woonhuis. Blijkbaar biedt het met enig comfort boven het leven tronen weinig zekerheid en is de val iets onherroepelijks op het moment dat de mens zich meester waant van zijn situatie? De val zelf is relatief langzaam en chaotisch vergeleken met de vallen van de andere twee filmpjes. Het filmpje heeft iets van een valoefening. De val voltrekt zich problematisch. Ader moet zichzelf nog een zetje geven waar het dak minder steil wordt. Dat maakt het filmpje minder spannend of overrompelend.



Maar ook hier komt enige persoonlijke pathetiek van Ader om de hoek kijken. Het dak waar hij vanaf valt is van zijn eigen huis in Los Angeles. Hij valt letterlijk van zijn eigen zekerheid. En wel van het dak waarop hij eerder in 1967 volgens het tentoonstellingsaffiche Implosion nog rustig een sigaartje zat te roken.

Bas Jan Ader: All my clothes, 1970


Maar het is ook het dak van de foto All my clothes (1970). Deze zwartwitfoto toont hetzelfde dak bestrooid met kledingstukken van Ader. De oneindige melancholie van deze foto schuilt in de totale afwezigheid van de hoofdpersoon in combinatie met de titel. De titel heeft van zichzelf niets pathetisch maar krijgt een pathetische bijklank door de inhoud van de foto. Alles wat hier gevallen is, zijn de kledingstukken die de afwezige hoofdpersoon zouden moeten omhullen. Maar de afwezigheid van de hoofdpersoon heeft de kledingstukken doelloos gemaakt. Hun val ligt tragisch tentoongespreid op het dak. Het beeld spreekt oneindig tot de verbeelding, maar iedere opgeroepen verbeelding – hoe speels ook – kan niet anders dan een tragische zijn.

Bas Jan Ader: I'm too sad to tell you, fotoversie, 1970


Uitgesproken tragisch is uiteraard het overbekende I’m too sad to tell you, bestaande uit een foto en een prentbriefkaart uit 1970 met het gezicht van een huilende Ader. De tranen vloeien rijkelijk en het gezicht is vertrokken van verdriet. Vertwijfeld grijpt Ader met een hand in het haar. De filmversie is uit 1971 en duurt maar liefst meer dan drie minuten. Persoonlijk heb ik een voorkeur voor de stilstaande versie. De filmversie heeft weinig spanning. Het huilen is er vervormd tot allerlei gekunstelde grimassen en het komt daardoor weinig geloofwaardig over. De foto- en briefkaartversie (het plaatje is in beide versies hetzelfde) heeft juist meer spanning doordat het beeld in één keer duidelijk is. Iedere uitleg lijkt overbodig, maar de titel I’m too sad to tell you geeft de zaak net wat meer lading. En hier komt het pathetische weer om de hoek kijken. Stel, je ontvangt een kaart van een vriend of kennis, met hemzelf in huilende toestand én de tekst ‘ik ben te verdrietig om het je te vertellen’. Dat is een boodschap die je onmiddellijk persoonlijk aangrijpt. Een boodschap die niet mis te verstaan is. Dat maakt de foto- en briefkaartversie tot een werk dat even abrupt is als Fall 2, Amsterdam. Hoewel in de filmversie Ader oneindig tracht door te huilen is het verdriet op de foto in feite veel meer eindeloos te noemen. Het beeld van de foto is zo herkenbaar dat het je bijblijft en daarmee wordt het verdriet daadwerkelijk oneindig.

Maar er is meer in al dat vallen, dat huilen, al dat nodeloze. Het heeft iets slapstickachtigs. Het vallen als grap, de esthetica van de wrangste ironie, waar humor en leed onweerlegbaar bij elkaar komen. Maar in een slapstick is er meestal een tegenstrever die het leed veroorzaakt. In het werk van Ader lijkt er geen tegenstrever te zijn die hem leed berokkent, hem dwingt de gracht in te rijden, hem dwingt oneindig verschillend gekleurde bloemen te schikken, hem oneindig laat huilen. Ader lijkt zijn eigen tegenstrever te zijn. Hij kiest er zelf voor zich over te geven aan de zwaartekracht, oneindig te huilen, enz. En daarmee lijkt de essentie – het mirakel zo je wil – van het werk van Ader toch een samenspel van eigen fixaties, projecties en – in de beste werken – een goede dosering van de inhoud, een goede regie en een goede vormbeheersing. Het goede is dan vooral te verstaan als de gelukkige samenwerking van die componenten. En daarmee blijft het mirakel een mirakel. Want voor dat goede bestaat geen concept of recept. En dat geldt niet alleen voor het werk van Ader.

Het oeuvre van Ader is maar klein. Hij is ook erg jong gestorven. Toch is het kernachtig en - wat mij betreft - af.

Bas Jan Ader: In search of the miraculous, 1975

Verwijzend naar het onvoltooide werk In search of the miraculous zal menigeen beweren dat het werk niet af is. Echter, het is de vraag of dat werk wel zo onvoltooid is. Het voert te ver om in kort bestek alle onderdelen ervan te omschrijven (het omvat foto’s, ansichtkaarten, een fotoserie, performance, etc.), maar ik vraag mij af of het completer zou zijn geweest wanneer het wel voltooid was; los van de vraag of Ader expres verdween op de Oceaan en of dat element als onderdeel van het werk gezien zou moeten worden. Het lijkt erop dat het zoeken in In search of the miraculous de overhand heeft gekregen boven het miraculeuze waarnaar gezocht wordt. De fixatie weegt hier zwaarder dan de andere componenten van het werk. Of wist Ader dat het miraculeuze toch niet gevonden kon worden?

BP

Literatuur:
Rein Wolfs c.s.: Bas Jan Ader, Please don't leave me; Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam 2006; ISBN-10 : 90-6918-217-3 / ISBN-13: 978-90-6918-217-9

Christopher Müller: Bas Jan Ader; Kunsvereine Braunschweig, Bonn und München 2000; ISBN 3-88375-443-9

Labels: , ,

  • CONTACT
  • Facebook
  • 3 Comments:

    Blogger Claudia said...

    A poignant artist...

    woensdag 30 december 2009 om 15:44:00 CET  
    Blogger VLR said...

    Indeed Claudia.

    B.t.w. best wishes for the new year to you.

    BP

    woensdag 30 december 2009 om 16:25:00 CET  
    Blogger Claudia said...

    Many thanks. And to you too.

    woensdag 30 december 2009 om 17:24:00 CET  

    Een reactie plaatsen

    Links to this post:

    Een link maken

    << Home